Wapendroppings en razzia’s


Terug naar ‘Lezen’ Terug naar ‘Razzia’s’


Tekst uit 1995: Aaldert Pol

Inleiding

Op 6 juni 1944 vond de Geallieerde landing in Normandië plaats. Toen enkele maanden later luchtlandingstroepen werden ingezet bij o.a. Arnhem dachten velen dat het einde van de oorlog nabij was.

De Geallieerden hoopten de afloop te kunnen versnellen in samenwerking met het Nederlandse verzet. De aanvoer van betere en zwaardere wapens kon door de lucht gebeuren, als er maar voor gezorgd werd dat het materiaal niet in Duitse, maar ook niet in verkeerde Nederlandse handen terecht kwam. Deze wapen-droppings moesten goed georganiseerd worden. De Knokploegen (KP’s) dienden nauwer te gaan samenwerken in een nieuw op te richten organisatie van Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS). Op 3 september vond de oprichting plaats onder leiding van Prins Bernhard. Met het onderbrengen van de verzetsgroepen in één organisatie werd een nauwere samenwerking beoogd en zou de NBS deel gaan uitmaken van de Koninklijke Landmacht en onder het Landoorlogreglement vallen. In dat reglement stonden de rechten en plichten van strijdende groepen. De strijd moest op ‘gereglementeerde’ wijze gevoerd worden.

InstructiesWapendroppings
De instructies voor ontvangst van afgeworpen materiaal bij wapendroppings.

De eerste wapen-dropping in de Noordoostpolder

De wapen-droppings in de Noordoostpolder waren niet ter plaatse en ook niet in Kampen, maar in Twente georganiseerd. Op het dropping-terrein met de codenaam ‘Willow’ stond in de nacht van 8 op 9 september in Wierden bij Almelo een receptieploeg klaar om de beloofde wapens te ontvangen. De KP-Almelo had de dropping georganiseerd en stond onder leiding van Andries Kalter, een groenteman afkomstig uit Nieuw-Amsterdam. De ploeg beschikte reeds over contacten met Engeland.

Vlak voor de ophanden zijnde dropping werd bericht ontvangen, dat er met de wapens ook drie parachutisten mee zouden komen. Het gedropte drietal stond onder leiding van de Nederlandse majoor H. Brinkgreve en bleek over moderne wapens en apparatuur te beschikken, waaronder een Eureka. Dat was een apparaat voor morseseinen, waarop een vliegtuig dat een dropping moest uitvoeren kon aankoersen. Het drietal had verschillende opdrachten, waaronder de organisatie van het verzet en het organiseren van wapen-droppings op diverse plaatsen.

Brinkgreve bracht een verbeterde verbinding met Engeland tot stand en probeerde de samenwerking tussen de verschillende KP-groepen te verbeteren. Vanuit Twente liepen ook lijnen naar de polder. De leider van de KP-Almelo, Kalter, speelde een sleutelrol in de polder-droppings. Soms kwam hij zelf, soms stuurde hij Willem ‘Pim’ Lindenboom, leider van de KP-Zwolle of T. ’Theo’ Visscher. Geen van deze drie zou de oorlog overleven.

Contacten

Er bestaan twee mogelijkheden waarop de contacten tussen Kampen en Twente tot stand zijn gekomen. Die kunnen gelegd zijn door A.J. Knipmeijer, die via de Kamper verzetsman Sjaak van der Horst sedert 1943 samenwerkte met de in 1942 opgerichte Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Knipmeijer verklaarde na de oorlog, dat ‘Gerard’ alias ‘Dries’ hun het ‘vak’ had geleerd. Hij kwam er pas later achter, dat het om Andries Kalter ging, één van de leiders van het verzet in Overijssel.

Knipmeijer kende hem dus niet zo goed en het is mogelijk dat niet hij maar H. Nijenhuis de eerste contacten met de Knokploeg-Almelo tot stand bracht.

Andries Kalter heeft waarschijnlijk de Noordoostpolder als geschikt dropping-terrein aangewezen. Wiebe Soetendal, de man die in de polder de leiding had bij het uitzetten van de terreinen, weet zich te herinneren dat hij de vlakke polder niet zo geschikt achtte voor een dropping en deze niet had aanbevolen. Op grote afstand konden de seinlampen en de vliegtuigen gezien worden. Maar het was echter niet gemakkelijk in Nederland geschikte terreinen te vinden. Er waren bepaalde eisen waaraan voldaan moest worden. Het terrein mocht niet te dicht bij bevolkingscentra liggen, minstens 15 km verwijderd zijn van Duits afweergeschut en 3 km van de dichtstbijzijnde wachtpost.

De KP-leiding vond de voordelen die de polder bood groter dan de nadelen. Aan de eis dat een terrein minimaal 800 vierkante meter groot moest zijn, was hier gemakkelijk te voldoen. Er waren in de polder nauwelijks Duitse soldaten aanwezig. Slechts op Schokland, op Urk en aan de Kuinderweg was een luchtwaarnemingspost. Zo werden vier terreinen door H.H. Michel, inspecteur namens het Overijsselse verzet, goedgekeurd.

Soetendal

Wiebe Soetendal stelde – op verzoek – na ruim vijftig jaar de receptieploeg nog eens samen, die indertijd in de Noordoostpolder de wapens in ontvangst moest nemen. Hij was er zelf vrijwel altijd bij geweest. Verder deden mee:
Bert Knipmeijer; H. Nijenhuis (kantoor Kampen); W. Elzenga (chef van Nijenhuis); O. van Veen (kantoor Ramspol, later NBS-commandant op Urk); Sj. Bijlsma en L. Zielman (werkzaam in het magazijn te Kampen); K van Veghel; H. van ‘t Oever (Kampenaar, ondergedoken in de polder na het niet willen tekenen van de loyaliteitsverklaring, na de oorlog tandarts in Emmeloord); H. Geluk en M. Valk (boerenzoons werkzaam in de polder) en tenslotte de heer Koolhof, uitvoerder in dienst van de Grontmij. Soms deed men een beroep op een losse kracht. Soetendal herinnert zich de naam van een Van den Berg (van het Kampereiland) en van P. Nes (ploegbaas). Volgens de instructies van de RAF moest een dropping-ploeg uit minstens 20 man bestaan. Dat aantal werd in de polder nooit gehaald. Meestal waren er niet meer dan een dozijn.

Eerste dropping

Aanvankelijk ging men zeer amateuristisch te werk. De eerste dropping zou plaatsvinden op een terrein westelijk gelegen van kamp Espelerbocht, midden in het riet. De voorbereiding was erg matig en eigenlijk was de ploeg nog niet klaar voor het grote werk. Het verkrijgen van de seinlampen bracht bijvoorbeeld grote problemen met zich mee. Zo moest men per fiets de accu’s uit kamp Zwartemeer halen. Ze werden vervoerd in een kist en wogen zeker drie keer zo zwaar als een autoaccu. In kamp Zwartemeer werd de energie verkregen door een windcharger, een soort windmolen, waarbij de opgewekte energie werd verzameld in accu’s. Na veel vijven en zessen werd het terrein onder leiding van Soetendal (ex-onderofficier) uitgezet. Hij deed dat met behulp van een Bézard-kompas, een klein handkompas, dat vooral in het leger werd gebruikt. Hij ging bij de plaatsbepaling uit van de kerk op Urk en die van Lemmer. De plaatsen werden ingenomen en het wachten begon en duurde tot in de kleine uurtjes maar er gebeurde niets die eerste keer.

Dropping terrein

De tweede keer dat de dropping-ploeg naar het terrein aan de Espelervaart ging, zou wel tot een succes leiden. Kalter was bij de voorbereiding persoonlijk aanwezig geweest. De mannen hadden vergaderd in het waslokaal en een defect aan de afvoer van de gootsteen had hen op het idee van de naar Engeland te seinen code gebracht. Als via de BBC-Belgian Section de slagzin werd doorgegeven ‘de gootsteen loopt over’, en ‘s avonds werd herhaald met de aanvulling in code van het tijdstip waarop, dan zou de dropping die nacht plaatsvinden.

DroppingterreinenNOP17April1945
Situatie begin 1945 van de ontginning en de werkkampen in de Noordoostpolder en de vier plekken die in de oorlog voor wapendroppings werden aangewezen. Slechts op twee plaatsen (1 en 2) kwam het daadwerkelijk tot een wapendropping.

Verloop dropping

Volgens de dropping-lijst, opgesteld door Gerrit J. Zwanenburg en gebaseerd op gegevens van de squadron-logboeken van de RAF, moet de dropping hebben plaatsgevonden in de nacht van 24 op 25 oktober 1944. De ploeg was intussen beter voorbereid en men beschikte over betere seinlampen, de zogenaamde 1.000-uren lampen. ‘Theo’ Visscher was aanwezig om de Eureka te bedienen en die nacht lukte het om met de Eureka-morsetekens contact te maken met het voor hen bestemde vliegtuig. De eerste polder-dropping zou een feit worden.

De Eureka Beacon Radio.
De Eureka Beacon Radio set.

Knipmeijer beschreef na de oorlog deze dropping als volgt: “Tegen elf uur werd radiografisch contact met het vliegtuig verkregen en alle harten klopten vol spanning. Na enige minuten wachten klonk het gedaver van zware vliegtuigmotoren door de nachtelijke stilte, commando’s weerklonken, de lichten flitsten aan en daar zagen Nederlandse jongens in een donkere polder voor het eerst hoe een groot transportvliegtuig een last uitwierp.

Dropping
Drie parachutisten worden gedropt.

Het was een stille avond en langzaam daalden de aan prachtige parachutes bevestigde containers naar beneden. Hoog in de lucht klingelden ze nog even tegen elkaar en dan verdween alles tussen het riet. Een schouwspel dat men nooit van zijn leven zal vergeten. De jongens waren opgewonden van blijdschap, maar ‘Theo’ maande tot kalmte. Er konden er wel eens meer komen en inderdaad kwamen er meer! Nog maar net was het eerste vliegtuig na een groet met zijn signaallichten, op terugreis naar Engeland weer overgekomen, of reeds meldde een tweede vliegtuig zich in het ontvangapparaat. Nogmaals maakten we die avond het prachtige schouwspel mee en in menig oog zal een traan van blijdschap en dankbaarheid hebben geschitterd.”

Droppingscontainer
Voorbeeld van een container zoals ze in de Tweede Wereldoorlog aan een parachute uit een vliegtuig werden gedropt.

Tientallen containers werden die nacht gedropt. De leden van de receptieploeg dienden uit veiligheidsoverwegingen op minstens honderd vijftig meter afstand rond punt C te staan (zie instructies). Je zou zo’n container van circa 300 kg op je hoofd krijgen! Deze kwamen al naar gelang de inhoud naar beneden aan rode, groene en witte parachutes. Van die kleuren zal men ‘s nachts niet veel gezien hebben, maar later werd het sorteren van de verschillende containers er door vergemakkelijkt, die of wapens of etenswaren of snoep, sigaretten en kleding bevatten. Het was een enorme klus om ze in het riet te vinden en ze over de drassige bodem naar een verzamelpunt aan de Espelervaart te brengen. Ze werden door de leden van de ploeg op een burrie, een soort draagbaar, vervoerd. De volgende dag, na een paar uur slapen in kamp Espelerbocht, werd de zaak verder afgewerkt. De lege containers werden in de Espelervaart tot zinken gebracht. Het verdere vervoer vond per schip plaats en zo kon een grote voorraad wapens via Zwolle afgeleverd worden aan het Overijsselse verzet. De eerste grote klus was geklaard.

Tweede dropping en novemberrazzia

Vaak ging er iets mis met de dropping-operaties. Van de 600 vluchten konden de RAF-piloten 400 keer het dropping-veld niet vinden, aldus dr. L. de Jong. Een van de belangrijkste oorzaken was het niet duidelijk zichtbaar zijn van de lichten. Maar er konden ook andere redenen zijn zoals slecht weer of afwerpen op een verkeerd terrein. Er was in Noord-Holland een dropping-ploeg die in totaal elf maal had gepost, maar slechts eenmaal een dropping had ontvangen. Zo veel pech heeft de Kamper dropping-ploeg in de polder niet gehad. Slechts twee keer heeft men tevergeefs gewacht.

In de nacht van 15 op 16 november kwam het tot een tweede dropping. De ploeg had zich geïnstalleerd in de rietvelden ten noordwesten van kamp Zuidvaart. Er was geen topman uit het Overijsselse verzet aanwezig, zoals abusievelijk in enkele boeken wordt vermeld. Slechts de inspecteur H.H. Michel was vooraf even aanwezig geweest. Elzenga bediende de Eureka en de receptieploeg onderging opnieuw de sensatie van dalende parachutes met wapens en andere begerenswaardige zaken. Maar de vreugde was van korte duur.

De kantine van kamp Zuidvaart, iets ten zuiden van Emmeloord.
De kantine van kamp Zuidvaart, iets ten zuiden van Emmeloord in 1948.

Op 17 november 1944 om vier uur ‘s morgens begon de beruchte razzia waarbij alle toegangswegen van en naar de polder werden afgesloten. De Duitse SS Generaal Hanns Albin Rauter gaf persoonlijk leiding aan de Razzia vanuit de Oldenhof bij Vollenhove. Hij zou tijdens zijn proces verklaren dat de wapen-droppings de directe aanleiding zijn geweest voor de razzia. Die verklaring kan in twijfel worden getrokken, gezien het grote aantal razzia’s elders in het land. De oorlogskansen keerden en alles en iedereen moest ingezet worden om de geallieerde opmars te stuiten. De dropping van 15 november kan in ieder geval niet de directe aanleiding zijn geweest, want de voorbereiding van de grootschalige operatie moet veel tijd hebben gekost en kan niet zo kort op de wapendropping zijn gevolgd.

UrkerlandEindDecember1945
Stand van zaken met de ontginning van de Noordoostpolder in december 1945. Ruwweg de helft was in cultuur gebracht.

Van de circa 2.000 werkers in de polder werden er 1.800 gearresteerd. De Directie wist nog ongeveer 400 (onmisbare) mensen vrij te krijgen en een even groot aantal kon nog ontsnappen. Ongeveer 1.000 mannen werden afgevoerd via Vollenhove naar Meppel en van daar met de trein op transport gezet naar het oosten.

In kamp Zuidvaart was men snel op de hoogte van de afsluiting van de polder, want de barakken beschikten over een eigen poldertelefoon. De leden van de dropping-ploeg wisten op 17 november meteen dat ze als ratten in de val zaten. Ze verstopten de wapens tussen de dichtbij liggende strobalen en de ploeg overlegde wat er verder moest gebeuren.

RazziaNOPinNov1944
Tekening door de polder-tekenaar Henk Rotgans over de Duitse razzia van 17 november 1944.

Een aantal van hen wilde ‘s nachts dwars door de Duitse linies heen breken. In de nacht van vrijdag op zaterdag, 17 op 18 november, vond de gewaagde, risicovolle tocht plaats. Soetendal, Elzenga, Bijlsma, Van ‘t Oever en Zielman pakten de fiets en startten vanaf kamp Zuidvaart. Het was een stikdonkere nacht; in stromende regen probeerden de mannen vooruit te komen over de klinkerwegen. Het groepje reed over de Bomenweg naar de Kamperweg en van daar richting Ramspol. Het was moeizaam voortgaan zonder enig licht op de voorliggende weg. Plotseling doemden in de verte twee kleine lichtjes op. In de doodse stilte van de nacht hoorde het gezelschap het geluid van een in de verte naderende auto. De mannen sprongen van de fiets en doken met rijwiel en al in de naast de weg liggende sloot. Die bleek gelukkig droog te zijn. Toen het gevaar voorbij was, kroop men weer voorzichtig tevoorschijn en vervolgde de fietstocht. Weer verder, voortdurend op de hoede voor een Duitse wachtpost.

De Duitse leider van de SS in Nederland, Hanns Albin Rauter (Klagenfurt, 4 februari 1895 – Scheveningen, 25 maart 1949)
De leider van de Duitse SS in Nederland, Hanns Albin Rauter (Klagenfurt, 4 februari 1895 – Scheveningen, 25 maart 1949)

Het was niet bekend hoever de Duitsers precies waren opgerukt naar het centrum van de polder. Via kamp Enservaart werd de pont over de Enservaart bereikt. Daar stak men over en belandde op de Drietorensweg. De ploeg hoopte bedrijfsboer Brandsma aan de Zwartemeerweg te bereiken. Bij de kruising Drietorensweg-Enserweg (thans Zuiderringweg) bleek een Duitse schildwacht te staan, maar het lukte de groep de Zwijnsweg te bereiken. Bij de bedrijfsgebouwen van Brandsma was het echter niet pluis, want daar klonken Duitse stemmen. Men sprong opnieuw op de fiets en ging weer verder. Vlakbij kamp Zwartemeer klonk het gevreesde “Wer da?” Snel namen de mannen de wijk. Er werd geschoten, maar in het donker was het een schietpartij in het wilde weg. Het groepje fietste snel langs de achterzijde van de stroklampen aan de Neushoornweg. Zielman was echter zo geschrokken, dat hij, naar later bleek, in deze buurt had afgehaakt. Onderweg was het voor hem zeer moeilijk geweest, want hij fietste in kletsnatte kleren. Hij was bij het oversteken van een tocht, waarover geen brug maar wel een stuk smalspoor was gelegd voor voetgangers, uitgegleden en tussen de rails door naar beneden gevallen. Druipnat en onder de modder voegde hij zich weer bij zijn makkers. Hij ging vanaf kamp Zwartemeer zijn eigen weg, maar kwam niet ver; kort daarop hield een Duitse schildwacht hem aan.

VluchtrouteDropping

De vier overige mannen zwoegden verder door het nachtelijk duister over de Zwijnsweg, langs het nog niet bestaande Kraggenburg naar het oosten. Ze kwamen tenslotte terecht bij het sluiscomplex bij De Voorst. In gemaal Smeenge bevonden zich veel Duitsers. Op een steenworp afstand lagen de personeelswoningen. Bij één van deze huizen werd aangeklopt. Er woonde een bekende van Soetendal. Een vrouw deed open en zei dat haar man er niet was. Later bleek dat hij op dat moment wel thuis was maar onderduiker was in eigen woning. De ploeg werd doorverwezen naar de dichtbij gelegen Rode Kruispost, ook gevestigd in een van de huizen. Daar klopte men aan en een Kruiszuster liet de dodelijk vermoeide mannen haastig binnen.

Zij maakte een kop koffie en de mannen kwamen weer wat op verhaal. Er meldde zich nog een bezoeker: een totaal overstuur zijnde man die ook aan de razzia was ontsnapt. Hij bleek niet in staat een kop koffie te drinken. Zo beefde zijn hand! Deze polderwerker vertelde dat hij uit Sint Jansklooster kwam en dat hij hen, als ze maar eenmaal daar waren, wel aan onderdak kon helpen. Daarna gingen Soetendal en Van ‘t Oever op zoek naar een mogelijkheid om aan de overzijde van het Kadoelermeer te komen. Het was voortdurend oppassen geblazen want de Duitsers zaten dichtbij. Het gelukte een schipper te vinden voor de oversteek. De man wilde er niks voor hebben, maar Soetendal legde twee briefjes van honderd onder het boterhambordje. Met fiets en al werd plaats genomen in een stalen roeiboot die daarop zware slagzij maakte. Voorzichtig duwde de schipper het bootje van de wal en wilde naar de overkant roeien. Plotseling zwaaide een deur van het gemaal open en klonken Duitse stemmen over het water. Vanuit het gemaal werd de omgeving verlicht. Maar het licht was te zwak om de mannen te ontdekken. Ze bereikten veilig de overkant. Het ploegje fietste naar Sint Jansklooster en belandde de volgende dag bij een boer aan de Noorde, waar ze de lange stoet van gevangen genomen mensen uit de polder aan zich voorbij zagen trekken. Ze gingen zelf richting Genemuiden, waar ze snel met het pontje overstaken. Zo bereikten ze tenslotte Kampen.

Het is een wonder dat er geen slachtoffers zijn gevallen onder de leden van de dropping-ploeg. Otto van Veen was Ramspol al gepasseerd voordat de toegang daar werd afgesloten. De koerierster E. Nijenhuis, die de Eureka naar een andere plaats moest brengen had ook reeds de polder verlaten voor de komst van de Duitsers. H. Nijenhuis was niet aanwezig geweest bij de dropping.

En dan is er nog het verhaal van Knipmeijer, die niet bij de dropping maar wel bij het daaraan voorafgaande overleg was geweest. Hij was nog juist voor ‘sluitingstijd’ uit de Noordoostpolder in Vollenhove gearriveerd. Daar had hij zich in de difterie-barak van het Noodziekenhuis in veiligheid kunnen stellen.

Luchtfoto van het Noodziekenhuis voor de Noordoostpolder bij Vollenhove.
Luchtfoto van het Noodziekenhuis voor de Noordoostpolder op het oude land bij Vollenhove.

Op de tweede of derde dag van de razzia werden de wapens tussen de strobalen bij kamp Zuidvaart ontdekt. Of er verraad in het spel is geweest, is nooit bewezen. Voor Zielman zag het er na zijn aanhouding aanvankelijk somber uit, omdat hij als partizaan werd aangemerkt. Hij had geen pistool bij zich, maar wel een Engels noodrantsoen.

Toen er bij de Duitsers grote opwinding ontstond na het “Wir haben Waffen gefunden”, wist Zielman zich in de gewone rij van gevangen arbeiders te voegen en heeft men hem uit het oog verloren. Ook de overige leden van de ploeg konden elders in de polder ontsnappen door in het riet te verdwijnen.

Na de razzia vonden geen nieuwe droppings meer plaats.

Bronnen

Boek: De bevrijding van het Nederlands Onderduikersparadijs door Aaldert Pol. Schoklandreeks nummer 4, 1995

Boek: Knipmeijer, A.J., Neêrlands Onderduikers’ Paradijs’, p.306-319. Uit: “In den strijd om ons Volksbestaan”. Uitgever Ad. M.C. Stok, Den Haag z.j.

www.warrelics.eu
www.emmeloord.info
www.omroepflevoland.nl
www.henkvanheerde.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *